Hoe je moet zijn als leidinggevende

Ter voorbereiding op een lezing voerde ik een paar dagen geleden op internet de zoekterm leiderschap in en kwam er achter hoeveel hier over geschreven wordt. Honderden boeken plopten op: van verbindend leiderschap tot inspirerend leiderschap, van empowerend leiderschap tot dienend leiderschap, en van onzichtbaar leiderschap tot coachend leiderschap. Wat hebben we tegenwoordig toch een hoge verwachtingen van die mensen! En stel je voor dat je dat allemaal serieus neemt en gaat proberen waar te maken? Waar kom je dan in terecht?

Onuitgesproken verwachtingen

Die verwachtingen vanuit het schrijvers en consultantsgilde, vaak toch de beste stuurlui aan de wal, kom je natuurlijk als leidinggevende ook vol tegen bij je eigen mensen. De één wil vooral de ruimte hebben en zo weinig mogelijk bemoeienis, de ander wil juist regelmatig je volle aandacht, de één zal daar zelf om vragen, de ander verwacht nu juist dat jij dat zelf aanbiedt, en zo gaat het maar door. Verwachtingen die vaak eerder eisen zijn dan wensen, en die vaak eerder onbewust en onuitgesproken zijn, dan bewust en uitgesproken.

Schermafbeelding 2018-10-19 om 10.39.13Waar het volgens mij over gaat is dat je je vooral niet gaat proberen te voegen naar al die verwachtingen. Dan hang je, dan maak je jezelf afhankelijk van de waardering van je omgeving. Je hangt ook omdat je één ding zeker weet: je zult het nooit goed doen, je zal nooit iedereen tevreden kunnen stellen, er zullen altijd mensen zijn die vanuit die meestal onuitgesproken claims kritiek op je zullen hebben. Het gaat je gewoon niet lukken om zo’n super mens te zijn.

Wat leiderschap eigenlijk is

Volgens mij is de essentie van waarachtig leiderschap nu juist dat je het niet laat beginnen bij de verwachtingen van anderen, maar bij jezelf, bij jouw visie en jouw waarden. Leider zijn betekent bij uitstek dat je je nek durft uit te steken, en het waagt je licht niet onder de korenmaat te houden. En dat je doet op een manier die past bij jou. De een op een dwingendere, nadrukkelijkere manier dan de ander. De een meer vanuit empathie, de ander meer vanuit enthousiasme.

Volgens mij maakt het helemaal niet echt uit hoe je het doet, als het maar waarachtig is, als het maar is wie jij bent, en geen trucje, geen maniertje om de ander te manipuleren. En als het maar in verbinding, in contact is met de ander, en de medewerker net zo zeer jezelf mag zijn als de leidinggevende. Dat je als medewerker kun zeggen: “ik had misschien liever een gevoeligere leidinggevende gehad, maar dat zegt meer over mij dan over hem; ik zie wij hij is, en dat is goed, daar doe ik het mee”. En dat jij als leidinggevende kunt zeggen: “ik had misschien een daadkrachtigere medewerker gehad, maar dat zegt meer over mij dan over hem; ik zie wie hij is, en dat is goed, daar doe ik het mee”.

Persoonlijk leiderschap

Het vrij blijven van al die verwachtingen of nog beter het zorgen dat die verwachtingen bewust worden, uitgesproken worden en niet door jou maar door de mensen zelf ingelost gaan worden, dat is misschien wel jouw belangrijkste opgave als leidinggevende. Want laten we wel wezen elke verwachting die ik heb naar mijn leidinggevende, zeker als die verwachting eerder een eis dan een wens is, gaat vooral over mij zelf. Over waar ik leiderschap heb te nemen, waar ik het juist niet door een ander moet willen laten oplossen, maar ik zelf aan de bak moet. En zijn het niet de meest inspirerende leiders die jou juist dat spiegelen, die het niet voor jou gaan oplossen, maar je uitdagen het zelf te doen, en je grenzen te verleggen? Leiders die jou helpen jouw leiderschap op je te nemen, niet door wat ze doen maar juist door wat ze niet doen? Leiders die vooral zijn wie ze zijn, ongemaskerd en onaangepast excelleren in hun eigen persoonlijke leiderschap.

PS Voor leidinggevenden die zich aangesproken voelen: https://itip.nl/opleidingen/de-juiste-maat/

 

 

Advertenties

Hoe groter de geest, hoe groter het beest

Ergens in de loop van vorig jaar schafte ik mijzelf toch eens een boek aan van Osho, of te wel Bhagwan Sri Rajneesh. Als iemand die zo verbonden is met het veld van persoonlijke ontwikkeling vond ik dat het wel een keer tijd werd om kennis te nemen van zijn gedachtegoed. Op zoek naar de logica achter de sekte waar in de tijd dat ik volwassen werd zo veel mensen door werden aangeraakt. Een beweging waar ik niet bepaald een positief beeld van heb meegekregen, zonder precies terug te kunnen halen waar dat beeld nu op gestoeld was.

Osho’s inspiratie

Tot mijn grote verrassing werd ik zeer gegrepen door wat ik las. Hoewel soms onnodig provocerend naar onze samenleving en vooral naar de georganiseerde religies, trof ik een zeer heldere, scherpe, originele en humorvolle geest aan, die mij op een indringende, lucide manier aansprak en prikkelde. Zijn oproep om alles van jezelf te aanvaarden, niets te verdringen, ook je driftleven en je schaduw te omarmen, om alles te zien als brandstof voor groei, is mij uit het hart gegrepen. Dat spiritualiteit niet betekent dat je heilig moet worden en je verlangen om te genieten van al het aardse, alles wat gewoon lekker en fijn is, moet wegdrukken en opofferen. Dat de lotus van de verlichting wortelt in de modder en seksualiteit en liefde bij elkaar horen als eb en vloed; haal één van de twee weg en er blijft niets over van de ander.

Ook zijn visie op de weg van individuatie en volwassenwording is helder en inspirerend, dat het een weg is die je in essentie slechts alleen kan lopen, die grote moed van je vraagt en de radicaliteit om te breken met datgene wat de samenleving en de omgeving waarin je bent opgegroeid van jou verwacht. Dat het van je vraagt om je ego en je neiging om je afhankelijk te maken van zaken en mensen buiten jezelf vol onder ogen te zien en los te laten. Principes waar alle grote leraren van de mensheid toe opriepen, maar die tragisch genoeg juist door hun navolgers in de religieuze instituties die in hun naam opgericht werden met voeten zijn getreden.

Osno’s ontsporing

Zo begon ik mij tot mijn verbazing steeds meer thuis te voelen bij deze Osho en las boek na boek. Des te groter de vervreemding en de afschuw die mij bekroop toen ik deze zomer de documentaire ‘Wild, wild country’ zag en ik daaropvolgend alles ging lezen over de geschiimagesedenis van de Bhagwan beweging omdat ik simpelweg niet kon geloven dat het echt zo gebeurd is. Hoe kan het dat iemand die de liefde predikt zijn commune met 25.000 machinegeweren laat bewapenen, zijn staf iedereen laat afluisteren, hen moordaanslagen laat beramen, verkiezingen laat manipuleren en onschuldige burgers laat vergiftigen zodat ze hun stem niet kunnen uitbrengen? Hoe kan het dat iemand die zo’n groot appel doet op het verantwoordelijkheid nemen voor jezelf zo’n afhankelijkheidssysteem kan scheppen waarin het niet meer ging om overgave aan de innerlijke waarheid maar om overgave aan de goeroe? Hoe is het mogelijk dat zo’n grote geest zo kan ontsporen, zo incongruent kan zijn met alle waarden waar hij voor staat?

Vragen waarop de documentaire geen antwoord geeft en wij bij onszelf te rade moeten gaan. Want natuurlijk kennen we dit zelf ook, dat we bij tijd en wijle met het schaamrood op onze kaken moeten concluderen dat we niet waarmaken waar we voor menen te staan. Ik zelf in ieder geval wel! Dat mijn meiden of mijn vrouw mij soms genadeloos terug spiegelen hoe ik faal in de waarden die ik juist op hen proberen over te dragen.

Osho’s les aan ons

De hele geschiedenis van de Bhagwan beweging maakt mij duidelijk dat naarmate we bewuster en wijzer menen te worden, we nog wakkerder moeten zijn op wat zich in onze schaduw bevindt. Juist dan! Juist als je denkt dat je er wel bent, dat je ‘verlicht’ bent. Juist als er iets van zelfgenoegzaamheid in je begint te ontstaan. Het is immers juist die zelfoverschatting die de voedingsbodem is voor het meest onverkwikkelijke wat je achter je gelaten dacht te hebben. Het is de superieure geest die zichzelf daar boven overschat die het inferieure beest daar onder tot een monster laat worden.

Die wakkerheid is ook zo belangrijk omdat de mensen om je heen altijd weer de neiging hebben jou op een voetstuk te zetten en te gaan adoreren daar waar jij tot wijsheid komt of iets bijzonders presteert Voordat je het weet geloof je het zelf, geloof je werkelijk dat je bijzonder bent, het waard bent om privileges te hebben en je niet meer te hoeven verantwoorden. Het is de les om de boodschap en de boodschapper steeds weer uit elkaar te houden, daar realistisch in zijn. Als boodschapper je steeds maar weer bewust te blijven dat jij altijd ook tot jezelf spreekt en jij zelf je belangrijkste leerling bent. En als ontvanger de boodschapper te blijven zien in al zijn menselijkheid en onafheid en te weigeren je kritische geest aan adoratie en bewondering op te offeren. Een belangrijke les voor iedere leider en iedere volger!

Alleen zijn

We weten allemaal hoe belangrijk het is om in ons leven je zo nu en dan even terug te trekken uit ons bestaan en alleen te zijn met onszelf, alleen met de stilte, alleen met het universum wat ons omringt. Hoe wezenlijk om ruimte te bieden aan de kluizenaar in onszelf en afstand te nemen van de menigte van stemmen om ons heen, van alle verwachtingen en verplichtingen, van de sociale conventies en de sociale druk. Opdat we in de stilte onze eigen innerlijke stem weer kunnen horen, en in de ruimte onze eigen vrijheid weer kunnen voelen.

We weten hoe belangrijk dit is, maar toch zijn wij dikwijls geneigd dit innerlijk weten te veronachtzamen. Zelfs in een lange zomervakantie blijven we vaak voortdurend verbonden met onze partner, kinderen en familie, en komt het bijna niet in ons op een paar dagen alleen door te brengen. Een drempel die vooral door jezelf wordt opgeworpen, ontdekte ook ik weer toen ik op de valreep van deze zomer, mijn wens om een paar dagen alleen te zijn voorlegde aan mijn partner. “Natuurlijk, moet je doen”, zei ze. “En ik vind het zelf eigenlijk ook wel fijn om even op mijzelf te zijn”.

Het alleen-zijn in de stilte is natuurlijk ook dikwijls iets wat we mijden omdat we weten dat we zullen gaan ervaren hoe het werkelijk met ons is en we bang zijn voor wat we in de spiegel van onze ziel zullen gaan zien. Dat we niet echt ons eigen leven aan het leiden zijn, dat we ons ergens in gekwetst voelen, dat er verlangens in ons leven die onvervuld zijn, frustratie, angst, onmacht of wat dan ook waar het dagelijks leven ons van kan afleiden. En zeker dat zal ook aan het licht komen, maar hoe erg is dat eigenlijk? Dat alles is er toch! We kunnen het maar beter onder ogen komen. Misschien zet het ons aan om ergens in actie te komen. Misschien kunnen we die gevoelens eindelijk eens echt loslaten, niet door ze te negeren, maar juist door er even werkelijk aandacht aan te schenken.

De andere, lichte kant van ons gevoelsleven zal zich echter in de stilte van het alleen-zijn ook manifesteren, zeker zo krachtig of wellicht zelfs vele malen krachtiger. Dat we ons bewust worden van hoe gelukkig we nu eigenlijk zijn, hoe dankbaar voor alles wat er wel goed gegaan is in ons leven en hoe vertrouwens- en verwachtingsvol we zijn naar de toekomst toe. Dat we ervaren hoeveel meer we zijn dan onze kleine zorgen, angsten en begeerten. En we de schoonheid van het leven ineens weer gaan zien, de bomen, de wolken, de vogels, alles wat er is. We onze verbondenheid met het leven ervaren, een met het al: al – een. Samen met het ene: een – saam.

IMG_5090

Twee nachtjes slechts was ik weg geweest, fietsend door dat prachtige coulissen landschap van de Achterhoek en Twenthe, met mijn tentje in het wild kamperend op die paar plekken waar dat tegenwoordig weer is toegestaan, en ik voelde me herboren, verfrist en vernieuwd. Weer wat liefdevoller naar het zwart in mij zelf kunnen kijken, mijn falen, mijn onrust, mijn angst. Weer wat bewuster van het licht dat in mij huist en in alles om mij heen. En vooral weer met nieuwe ideeën en met zin, zin om weer de wereld in te gaan, mijn vrouw te omhelzen en mijn werk weer op te pakken. Zin ook om komend jaar weer een aantal retraites te mogen begeleiden, waar deze stilte en dit alleen zijn centraal in zullen staan.

 

Bezieling werkt

Vorige week hadden we op de Kraaybekerhof in Driebergen de eerste landelijke bijeenkomst van ons netwerk dat de naam draagt ‘Bezieling werkt’. Dit nieuwe netwerk bestaat voornamelijk uit oud-leerlingen die elkaar in kleine regionale kringen uitnodigen op de eigen werkplek om zicht te geven op hoe zij proberen in hun organisatie bezieling meer op de agenda te krijgen en wat ze daarin tegenkomen. Ter inspiratie en ter bemoediging, in een wereld waar de systemen, belangen en overlevingsmechanismen het zo snel kunnen overnemen.

IMG_4547.jpgZelf hield ik die dag een korte inleiding over dat thema van werking vanuit bezieling, geïnspireerd op het feest van Pinksteren, het moment in het jaar dat we in onze cultuur vieren dat de geest rond kan gaan en door ieder mens heen kan spreken.

Wat het meest leek te resoneren bij de aanwezigen waren de woorden die ik sprak over hoe je als leidinggevende kunt sturen op bezieling, in plaats van wat zo veel gebeurd, op resultaten, doelstellingen en ‘kpi’s’.

Wanneer je stuurt op resultaten, op datgene wat er gepresteerd moet worden, loop je eigenlijk altijd achter de feiten aan. Resultaten komen voort uit bezieling, uit bezielde mensen die elkaar vinden juist in datgene wat hen drijft. Als je je enkel richt op de output en geen aandacht schenkt aan datgene waar die output uit voort komt, droogt die bron eerder op dan dat die meer gaat stromen.

De meest succesvolle organisaties zijn daarom organisaties die het wagen meer aandacht besteden aan de bezieling dan aan de resultaten, die ingrijpen niet op de cijfers maar op de geest van het samenzijn, en liefst nog voordat de cijfers daar aanleiding toe geven. Organisatie die niet controleren op ‘wat’ er precies gebeurd, maar inspireren in ‘hoe’ het gebeurd. Als de bezieling rondgaat, dan hoef je immers niet te dirigeren, noch te controleren. Je weet dan dat iedereen uit dezelfde bron werkt en kunt er op vertrouwen dat de ander intrinsiek zo gemotiveerd is dat hij zijn werk goed doet. Je krijgt dan ook ‘vanzelf’ een terugkoppeling, want natuurlijk wil je collega niets liever dan vertellen over wat tot stand is gebracht. Of komt hij bij jou voor hulp als de resultaten tegenvallen.

Het zou daarbij jouw hoogste roeping moeten zijn als leidinggevende, er voor te zorgen dat in de cultuur van jouw team/organisatie de bezieling zo krachtig en zo vrij mogelijk stroomt. Waag het daarom te stoppen met dirigeren en controleren; het is een zwaktebod voor mensen die vanuit de ziel wensen te werken, een achterhoedegevecht dat alleen maar verliezers oplevert. Weiger het om volwassen mensen te gaan vertellen wat zij moeten doen; als ze dat niet weten dan horen ze niet in jouw organisatie. Weiger ook hen eisen te moeten stellen aan de kwaliteit van hun werk; als ze dat niet uit zichzelf doen, vanuit hun intrinsieke motivatie, dan klopt er iets niet.

Sturen op bezieling betekent ook dat als de resultaten tegenvallen of er in het stoffelijke vlak van de uitvoering zaken gebeuren die ongewenst zijn, je het waagt om (ook) de vraag te stellen naar hoe het eigenlijk zit met die bezieling. Zijn wij onszelf nog wel voldoende bewust van datgene waarvoor wij het doen? Zijn wij nog wel afgestemd genoeg op onze bezieling? Dat betekent soms ook het onder ogen zien van het feit dat bij sommige medewerkers het heilige vuur ontbreekt of gedoofd is, en dat het de vraag is of die medewerkers niet geholpen moeten worden een nieuwe bestemming te zoeken, binnen of buiten de organisatie. Of dat je zelf moet concluderen dat jouw bestemming elders ligt, want ook als leidinggevende geldt dat je van je mensen precies terugkrijgt wat je er zelf in stopt.

Zo werd het behalve een inspirerende, ook een spannende bijeenkomst voor de aanwezigen, zeker voor de vijf mensen die een casus presenteerden, waarin het er om spande: wat is eigenlijk mijn eigen aandeel in deze kwestie? In hoeverre dien ik de bezieling in mijn team of organisatie en in hoeverre sta ik haar zelf in de weg? Een vraag die je jezelf niet vaak genoeg stellen kan!

 

 

Weer thuis in ons platte landje

 

Ruim zes weken ben ik nu terug in de moerasdelta die we Nederland noemen. Hoezeer ik er innerlijk ook echt klaar voor was weer terug te keren, hoezeer ik me ook kon verheugen om weer te incarneren in mijn werkende bestaan, en hoezeer ik me ook had voorgenomen niet te proberen de opbrengsten van die heerlijke periode vast te houden, het was toch een lastige, grote overgang. Het hoge tempo hier in dit land, de ongelooflijke georganiseerdheid van alles, de mate waarin alles en iedereen zijn eigen zelfstandige gang gaat, de intolerantie als er iets niet helemaal loopt zoals het zou moeten lopen, het gaat er hier totaal anders aan toe dan in zo’n land als Nepal.

Waar ik zelf echter het meest aan moest wennen hier is hoe plat onze Hollandse werkelijkheid is, niet alleen in letterlijke, maar ook in geestelijke zin. In zo’n land als Nepal struikel je over de tempeltjes en heiligdommen. Je wordt gezegend als je wordt begroet. Als je iets koopt in een winkeltje krijg je er dikwijls gratis en voor niets een blessing bij. En als je eet met elkaar wordt er altijd iets van de maaltijd geofferd aan het goddelijke. In alles wordt je er aan herinnerd dat er méér is tussen hemel en aarde, dat het bestaan niet vanzelfsprekend is, het je gegeven is en je gegeven wordt, en je dus oproept tot dankbaarheid, eerbetoon en gebed.

In ons bijna geheel seculiere landje, waar religie over het algemeen wordt weggezet als een kinderlijk Sinterklaas geloof of een gebrek aan intellectuele moed om de harde werkelijkheid onder ogen te zien, moet je die dimensie dus helemaal zelf verzorgen. Tegen de stroom van de tijdsgeest in. Of zoals iemand onlangs tegen mij zei: “als ik in mijn team begin over dat ik graag aan het begin van een vergadering even stil zou willen zijn, zodat ik me kan richten op datgene wat voor mij zin geeft aan mijn werk, wordt ik aangekeken alsof ik van een andere planeet kom”.

In die zin prijs ik mijzelf zo gelukkig met mijn collega’s binnen het ITIP, een werksetting waar de ziel zo gezocht, geëerd en verzorgd wordt. Niet dat ik ons werkverband wil idealiseren, ook in ons geheel zijn er natuurlijk zo zijn spanningen en onvolkomenheden. Maar wel dat ik me in ons geheel verzekerd weet van steun om die andere, niet zichtbare, niet wetenschappelijk bewezen, transcendente dimensie van het bestaan een duidelijke plek te geven. Dat ik voortdurend gestimuleerd wordt meer te zijn dan die verzameling van angsten en begeerten waarvan ik soms ten onrechte denk dat ik dat ben.

In alle eerlijkheid moet ik zeggen dat ik ook een positieve kant ervaar aan het feit dat onze cultuur God dood heeft verklaard. Het schept geestelijke ruimte om tot een volkomen eigen Godsbesef te komen, los van dat benauwende beeld van die grijs bebaarde man op zijn hemeltroon die de godganse dag bezig is straffen en beloningen uit te delen. Vrij ook van de instituties die al die religies over de wereld geworden zijn en die in hun moraliteit en hun ritualisering dikwijls haaks zijn gaan staan op de oorspronkelijke spiritualiteit van hun oprichters. In hoeveel prachtige tempels ik die drie maanden ook geweest ben, van het Bethlehem waar Jezus is geboren, tot het Lumbini waar Boeddha het levenslicht zag. En hoeveel mooie erediensten en rituelen ik ook mee heb gemaakt, van de kerstviering in de Friezenkerk in Rome, tot de hindoeïstische Puja’s in het heiligdom Pashupatinath van Kathmandu, nergens heb ik me echt thuis gevoeld. Dikwijls vervreemde het mij zelfs van het mysterie en de dankbaarheid die ik juist zo kon voelen in de overweldigende schoonheid van de Himalaya en de Sinaï.

Hoezeer ik de alomtegenwoordige religie in Nepal ook mis, ik geloof dat mijn spiritualiteit toch beter gedijd zonder tempels, beelden en priesters en dat mijn heiligdom een tempel is zonder muren.

 

 

Inshallah

 

Vanaf die intense ontmoeting met die gekke hond die zich doldraaide in het pogen zijn staart te pakken te krijgen, is het reizen voor mij inderdaad geworden wat ik er van hoopte. Een doorgaande oefening in overgave, in het mee bewegen met de stroom van het leven. Sowieso misschien wel de belangrijkste oefening in mijn leven, maar het van hot naar her trekken zonder vastomlijnd plan maakt die opdracht nog zo veel duidelijker en pregnanter. Als je zo reist heb je eigenlijk geen keus. Het is ‘inshallah’ of het is de hel, zeker in die landen waar chaos eerder uitzondering dan regel is.

Wat mij, nu ik weer terug ben nog sterker dan tijdens het reizen zelf, opvalt aan het leven vanuit ‘inshallah’ is hoeveel wakkerder, opgewekter en positiever het mij doet zijn. Iets wat ik ook meende te zien in de ogen van die talrijke backpackers die ik ben tegengekomen. Het besluit wat bijna iedereen ergens onderweg wel genomen lijkt te hebben om het leven te vertrouwen, dat het komt zoals het komt en dat mag gebeuren wat er gebeurt. Ook dat wat er ook gebeurt, hoe vervelend en moeilijk soms ook, je er wel een antwoord op zult vinden. En als je dat zelf niet lukt er wel iemand in de buurt is die jou zal helpen.

Het is een beetje een hype geworden in Nederland om tegen elkaar te zeggen hoe goed het is om regelmatig uit je ‘comfort zone’ te gaan, maar deze reis maakte mij wel weer duidelijk dat daar wel een hele belangrijke kern van waarheid in zit. Hoe goed het eigenlijk ook is dat zoveel jongeren voordat ze aan het werk gaan of voor een bepaalde studie te kiezen, voordat ze zich gaan settelen, zich via het reizen een periode lang even helemaal vrij maken van alles. Het mooie daarvan is ook dat je leert om je identiteit niet te ontlenen aan de vormen en zekerheden om je heen, maar aan jezelf. Trekkend van het een naar het ander, thuisloos in de wereld, kom je thuis in jezelf, in je diepere zelf.

Faraq Soliman, een bedoeïnen stamhoofd in de Sinaï woestijn, die mijn contactpersoon was voor de woestijntocht waar ik in mijn vorige blog over schreef, staat nog heel dichtbij deze manier van leven. Zijn vader trok nog rond door de woestijn, met tenten, kamelen en geiten, van bron naar bron, van hoogland naar laagland. En als jongetje heeft hij zelf ook nog een tijdje zo geleefd. Nu spant hij zich in om het erfgoed van deze manier van leven te behouden en door te geven aan Westerse toeristen zoals ik. Hij is één van de initiatiefnemers van de nieuw uitgezette ‘Sinaï trail’, een viertiendaagse trektocht van de oost- naar de westkust, waarbij 8 stammen samenwerken om de trekkers te gidsen en te fourageren.

Faraq is een hele heldere, inspirerende man, met een boodschap die langzaam aan door de wereld wordt herkend, getuige ook het feit dat hij steeds vaker gevraagd wordt zijn visie te delen op allerlei bijeenkomsten en conferenties. Op een prachtige, poëtische manier vertelt hij mij: “Zoals ik het beleef is Allah overal, overal waar ik kijk, overal waar ik loop, overal waar ik kampement maak. Hij is in de wind die het zand doet verstuiven, in de zon die mijn huid verwarmt, in het oog van mijn kameel, in de stilte die mij omringt. In de verzengende hitte van de dag en in de verkoeling van de nacht. Hij is zelfs in de zandstorm die de woestijn geselt, en in de eenzaamheid van mijn hart, als ik mijn verwanten mis.” Zo mooi!

Als we het hebben over wat het met zijn stamgenoten gedaan heeft toen zij zich als moderne burgers gingen vestigen in hun huizen van grijs betonsteen, met koelkasten en televisies, voegde hij er nog aan toe: “Het heeft zeker veel goeds gebracht, maar ik ben er ook regelmatig somber over. Velen lijken hun richting kwijt te zijn, doen zielloos werk in de toeristenhotels of hebben helemaal geen werk. Ze zijn hun wortels kwijt, hun trots. Daarom is het ook zo belangrijk dat die Sinaï-trail er nu is, niet alleen om de inkomsten die het hen oplevert, maar ook doordat ze door de ogen van de toeristen heen hopelijk de bijzondere waarde van hun cultuur weer gaan zien”.

Weer thuis, tussen de vier muren van onze boerderij, met mijn zogenaamde zekerheden en de routines van het werk die mij weer langzaamaan beginnen op te slorpen, neem ik mij voor mij te blijven herinneren dat ik ook hier als een bedoeïne backpacker wens te leven. In overgave. In (sh) Allah.

 

 

 

(Als) een gekke hond in de woestijn

Drie maanden ben ik weg geweest, een maand in Rome, een maand in Israel en Egypte, een maand in Nepal. Drie maanden vrij van alles, zonder enige verplichtingen of vastomlijnde plannen. Dit vanuit de wens het leven weer eens een tijdje te mogen ervaren zoals het komt in het moment zelf, in plaats van zoals het via de agenda gepland is in het verleden. De wens om de leegte te ervaren en een ‘witje’ te laten vallen in mijn bestaan, of zoals de Tibettaans Boeddhisten zouden zeggen een kleine ‘bardo’ te maken, een tussenfase, waarin alles weer even open ligt, voordat er een volgende incarnatie plaats vindt.

Die wens werd eigenlijk pas echt werkelijkheid voor mij, in het begin van de tweede maand, toen ik met twee bedoeïnen door de woestijn van de Sinaï liep, op weg naar de berg van Mozes. Voor het eerst liep ik in de woestijn zonder een groep waar ik verantwoordelijkheid voor droeg. En dat was een aanzienlijk andere ervaring dan ik dacht. Nu was er werkelijk geen enkele reden om niet gewoon in het moment te zijn, in de leegte van de woestijn, in de leegte van het zijn. Met een groep erbij kon ik het voor mijzelf altijd nog rechtvaardigen dat ik nog met andere dingen bezig bleef dan die ene stap van het moment; ik had immers mijn taak om inspiratie aan te bieden en iedereen goed te volgen in hun proces!

Met al mijn ervaring in meditatie, retraites en intensives, met alles wat ik er over wist, waar ik zelfs anderen in onderwijs, ik werd die eerste dagen helemaal gek van mijzelf. Gek van de onrust in mijn hoofd, dat voortdurende getetter van al die gedachten die onophoudelijk in mij opkwamen. In het bijzonder viel het mij op hoezeer ik verslaafd was aan het plannen maken. Het ene na het andere geweldige idee over de toekomst, dichterbij of verder weg, persoonlijk dan wel werk gerelateerd. Het hield niet op. En ik nam ze zoveel serieuzer dan de herinneringen die omhoog kwamen of de zorgen die zo nu en dan ook de kop opstaken. Van dat vluchten de toekomst in ging voor mij zoveel aantrekkingskracht uit, dat ik het niet gestopt kreeg. En steeds sterker werd mijn verlangen dat eigenlijk ook weer een plan was om ze op enig moment in de toekomst wèl gestopt te krijgen en me alsnog over te kunnen geven. Gek werd ik er van! Uiteindelijk vooral gek van diegene die het vruchteloos probeerde te dwingen allemaal.

Intussen liep ik door een verbazingwekkend landschap van grote schoonheid. Ik zag het wel, maar beleefde er weinig van, zat meer in mijn hoofd dan in de woestijn. En ook dat zag ik wel van mijzelf, maar ook dat kreeg ik niet veranderd.

Toen kwamen we aan het einde van de dag ineens, heel verrassend, aan bij een klein hutje met een omheind stukje land, waar een moestuin gehouden werd. De broer van mijn gids woonde hier en leefde van wat de aarde daar met behulp van een kleine bron voort bracht. Hier zouden we de nacht doorbrengen.

Uitgeput, niet zozeer van het lopen, maar vooral van de innerlijke strijd die ik geleverd had, zette ik mij voor het hutje neer. In het midden stond een vruchtboom in volle bloesem, een adembenemend gezicht, zo in die totale droogte van het landschap er om heen. Ineens verscheen er een hond. Een armzalig beest waar duidelijk iets mee aan de hand was, zo schichtig en onrustig als hij was. Rusteloos draaide hij rondjes en probeerde zichzelf bij de staart te pakken. Sneller en sneller ging hij, maar wat hij ook deed, zijn staart kreeg hij niet te pakken. Een fascinerend schouwspel dat bruusk werd afgebroken toen een van de mannen hem weg jaagde van het terrein.

Met een grote glimlach op mijn gezicht en een intens gevoel van mededogen in mijn hart bleef ik achter. Ik besefte me dat ik net zo gek was als die hond! Ook mij zou het nooit lukken om mijzelf te pakken te krijgen en tot stilstand te brengen. Ik zou ‘ik’ nooit te pakken krijgen en zo tot rust kunnen brengen. Het diepe besef, dat overgave niet iets is wat ik kon doen. Dat ik het misschien kon uitnodigen, maar dat ik het nooit zou kunnen bewerkstelligen. Dat ik het alleen kon laten gebeuren, juist door het op geen enkele manier meer proberen te dwingen. “Uw wil, niet de mijne”. En met dit besef de herinnering aan dat pijnlijke moment in mijn jeugd dat ik zelf als zo’n hond weggejaagd werd toen mijn vriendjes op zeker moment zo genoeg hadden van mijn dominante plannetjes, dat ze mij in de vaart gooiden die voor ons huis lag.

Met dank aan die gekke hond, kon ik mijn vriendjes van destijds weer wat meer vergeven. En de volgende dag lukte het mij mijn plannen steeds meer te laten voor wat ze waren, ook het plan om die plannen nu eindelijk eens los te laten. De momenten dat ik kon genieten van wat er was werden intenser en langduriger. En de ontmoetingen, niet alleen met honden, maar ook met de scherpgetande bergjes, een eenzaam boompje hier, een kwetterende vogel daar, een kameel in de verte, de bleke sikkel van de maan aan de steeds blauwer wordende hemel, maar vooral met de leegte van de woestijn zelf, werden krachtiger en betekenisvoller. Langzaam aan werd alleen ‘een met het Al ’ en eenzaam ‘samen met het Een’. De plannen bleven komen, maar ik liet ze meer en meer net zo snel weer gaan. Eindelijk was mijn ‘sabbatical’ begonnen!