Bezieling werkt

Vorige week hadden we op de Kraaybekerhof in Driebergen de eerste landelijke bijeenkomst van ons netwerk dat de naam draagt ‘Bezieling werkt’. Dit nieuwe netwerk bestaat voornamelijk uit oud-leerlingen die elkaar in kleine regionale kringen uitnodigen op de eigen werkplek om zicht te geven op hoe zij proberen in hun organisatie bezieling meer op de agenda te krijgen en wat ze daarin tegenkomen. Ter inspiratie en ter bemoediging, in een wereld waar de systemen, belangen en overlevingsmechanismen het zo snel kunnen overnemen.

IMG_4547.jpgZelf hield ik die dag een korte inleiding over dat thema van werking vanuit bezieling, geïnspireerd op het feest van Pinksteren, het moment in het jaar dat we in onze cultuur vieren dat de geest rond kan gaan en door ieder mens heen kan spreken.

Wat het meest leek te resoneren bij de aanwezigen waren de woorden die ik sprak over hoe je als leidinggevende kunt sturen op bezieling, in plaats van wat zo veel gebeurd, op resultaten, doelstellingen en ‘kpi’s’.

Wanneer je stuurt op resultaten, op datgene wat er gepresteerd moet worden, loop je eigenlijk altijd achter de feiten aan. Resultaten komen voort uit bezieling, uit bezielde mensen die elkaar vinden juist in datgene wat hen drijft. Als je je enkel richt op de output en geen aandacht schenkt aan datgene waar die output uit voort komt, droogt die bron eerder op dan dat die meer gaat stromen.

De meest succesvolle organisaties zijn daarom organisaties die het wagen meer aandacht besteden aan de bezieling dan aan de resultaten, die ingrijpen niet op de cijfers maar op de geest van het samenzijn, en liefst nog voordat de cijfers daar aanleiding toe geven. Organisatie die niet controleren op ‘wat’ er precies gebeurd, maar inspireren in ‘hoe’ het gebeurd. Als de bezieling rondgaat, dan hoef je immers niet te dirigeren, noch te controleren. Je weet dan dat iedereen uit dezelfde bron werkt en kunt er op vertrouwen dat de ander intrinsiek zo gemotiveerd is dat hij zijn werk goed doet. Je krijgt dan ook ‘vanzelf’ een terugkoppeling, want natuurlijk wil je collega niets liever dan vertellen over wat tot stand is gebracht. Of komt hij bij jou voor hulp als de resultaten tegenvallen.

Het zou daarbij jouw hoogste roeping moeten zijn als leidinggevende, er voor te zorgen dat in de cultuur van jouw team/organisatie de bezieling zo krachtig en zo vrij mogelijk stroomt. Waag het daarom te stoppen met dirigeren en controleren; het is een zwaktebod voor mensen die vanuit de ziel wensen te werken, een achterhoedegevecht dat alleen maar verliezers oplevert. Weiger het om volwassen mensen te gaan vertellen wat zij moeten doen; als ze dat niet weten dan horen ze niet in jouw organisatie. Weiger ook hen eisen te moeten stellen aan de kwaliteit van hun werk; als ze dat niet uit zichzelf doen, vanuit hun intrinsieke motivatie, dan klopt er iets niet.

Sturen op bezieling betekent ook dat als de resultaten tegenvallen of er in het stoffelijke vlak van de uitvoering zaken gebeuren die ongewenst zijn, je het waagt om (ook) de vraag te stellen naar hoe het eigenlijk zit met die bezieling. Zijn wij onszelf nog wel voldoende bewust van datgene waarvoor wij het doen? Zijn wij nog wel afgestemd genoeg op onze bezieling? Dat betekent soms ook het onder ogen zien van het feit dat bij sommige medewerkers het heilige vuur ontbreekt of gedoofd is, en dat het de vraag is of die medewerkers niet geholpen moeten worden een nieuwe bestemming te zoeken, binnen of buiten de organisatie. Of dat je zelf moet concluderen dat jouw bestemming elders ligt, want ook als leidinggevende geldt dat je van je mensen precies terugkrijgt wat je er zelf in stopt.

Zo werd het behalve een inspirerende, ook een spannende bijeenkomst voor de aanwezigen, zeker voor de vijf mensen die een casus presenteerden, waarin het er om spande: wat is eigenlijk mijn eigen aandeel in deze kwestie? In hoeverre dien ik de bezieling in mijn team of organisatie en in hoeverre sta ik haar zelf in de weg? Een vraag die je jezelf niet vaak genoeg stellen kan!

 

 

Advertenties

Weer thuis in ons platte landje

 

Ruim zes weken ben ik nu terug in de moerasdelta die we Nederland noemen. Hoezeer ik er innerlijk ook echt klaar voor was weer terug te keren, hoezeer ik me ook kon verheugen om weer te incarneren in mijn werkende bestaan, en hoezeer ik me ook had voorgenomen niet te proberen de opbrengsten van die heerlijke periode vast te houden, het was toch een lastige, grote overgang. Het hoge tempo hier in dit land, de ongelooflijke georganiseerdheid van alles, de mate waarin alles en iedereen zijn eigen zelfstandige gang gaat, de intolerantie als er iets niet helemaal loopt zoals het zou moeten lopen, het gaat er hier totaal anders aan toe dan in zo’n land als Nepal.

Waar ik zelf echter het meest aan moest wennen hier is hoe plat onze Hollandse werkelijkheid is, niet alleen in letterlijke, maar ook in geestelijke zin. In zo’n land als Nepal struikel je over de tempeltjes en heiligdommen. Je wordt gezegend als je wordt begroet. Als je iets koopt in een winkeltje krijg je er dikwijls gratis en voor niets een blessing bij. En als je eet met elkaar wordt er altijd iets van de maaltijd geofferd aan het goddelijke. In alles wordt je er aan herinnerd dat er méér is tussen hemel en aarde, dat het bestaan niet vanzelfsprekend is, het je gegeven is en je gegeven wordt, en je dus oproept tot dankbaarheid, eerbetoon en gebed.

In ons bijna geheel seculiere landje, waar religie over het algemeen wordt weggezet als een kinderlijk Sinterklaas geloof of een gebrek aan intellectuele moed om de harde werkelijkheid onder ogen te zien, moet je die dimensie dus helemaal zelf verzorgen. Tegen de stroom van de tijdsgeest in. Of zoals iemand onlangs tegen mij zei: “als ik in mijn team begin over dat ik graag aan het begin van een vergadering even stil zou willen zijn, zodat ik me kan richten op datgene wat voor mij zin geeft aan mijn werk, wordt ik aangekeken alsof ik van een andere planeet kom”.

In die zin prijs ik mijzelf zo gelukkig met mijn collega’s binnen het ITIP, een werksetting waar de ziel zo gezocht, geëerd en verzorgd wordt. Niet dat ik ons werkverband wil idealiseren, ook in ons geheel zijn er natuurlijk zo zijn spanningen en onvolkomenheden. Maar wel dat ik me in ons geheel verzekerd weet van steun om die andere, niet zichtbare, niet wetenschappelijk bewezen, transcendente dimensie van het bestaan een duidelijke plek te geven. Dat ik voortdurend gestimuleerd wordt meer te zijn dan die verzameling van angsten en begeerten waarvan ik soms ten onrechte denk dat ik dat ben.

In alle eerlijkheid moet ik zeggen dat ik ook een positieve kant ervaar aan het feit dat onze cultuur God dood heeft verklaard. Het schept geestelijke ruimte om tot een volkomen eigen Godsbesef te komen, los van dat benauwende beeld van die grijs bebaarde man op zijn hemeltroon die de godganse dag bezig is straffen en beloningen uit te delen. Vrij ook van de instituties die al die religies over de wereld geworden zijn en die in hun moraliteit en hun ritualisering dikwijls haaks zijn gaan staan op de oorspronkelijke spiritualiteit van hun oprichters. In hoeveel prachtige tempels ik die drie maanden ook geweest ben, van het Bethlehem waar Jezus is geboren, tot het Lumbini waar Boeddha het levenslicht zag. En hoeveel mooie erediensten en rituelen ik ook mee heb gemaakt, van de kerstviering in de Friezenkerk in Rome, tot de hindoeïstische Puja’s in het heiligdom Pashupatinath van Kathmandu, nergens heb ik me echt thuis gevoeld. Dikwijls vervreemde het mij zelfs van het mysterie en de dankbaarheid die ik juist zo kon voelen in de overweldigende schoonheid van de Himalaya en de Sinaï.

Hoezeer ik de alomtegenwoordige religie in Nepal ook mis, ik geloof dat mijn spiritualiteit toch beter gedijd zonder tempels, beelden en priesters en dat mijn heiligdom een tempel is zonder muren.

 

 

Inshallah

 

Vanaf die intense ontmoeting met die gekke hond die zich doldraaide in het pogen zijn staart te pakken te krijgen, is het reizen voor mij inderdaad geworden wat ik er van hoopte. Een doorgaande oefening in overgave, in het mee bewegen met de stroom van het leven. Sowieso misschien wel de belangrijkste oefening in mijn leven, maar het van hot naar her trekken zonder vastomlijnd plan maakt die opdracht nog zo veel duidelijker en pregnanter. Als je zo reist heb je eigenlijk geen keus. Het is ‘inshallah’ of het is de hel, zeker in die landen waar chaos eerder uitzondering dan regel is.

Wat mij, nu ik weer terug ben nog sterker dan tijdens het reizen zelf, opvalt aan het leven vanuit ‘inshallah’ is hoeveel wakkerder, opgewekter en positiever het mij doet zijn. Iets wat ik ook meende te zien in de ogen van die talrijke backpackers die ik ben tegengekomen. Het besluit wat bijna iedereen ergens onderweg wel genomen lijkt te hebben om het leven te vertrouwen, dat het komt zoals het komt en dat mag gebeuren wat er gebeurt. Ook dat wat er ook gebeurt, hoe vervelend en moeilijk soms ook, je er wel een antwoord op zult vinden. En als je dat zelf niet lukt er wel iemand in de buurt is die jou zal helpen.

Het is een beetje een hype geworden in Nederland om tegen elkaar te zeggen hoe goed het is om regelmatig uit je ‘comfort zone’ te gaan, maar deze reis maakte mij wel weer duidelijk dat daar wel een hele belangrijke kern van waarheid in zit. Hoe goed het eigenlijk ook is dat zoveel jongeren voordat ze aan het werk gaan of voor een bepaalde studie te kiezen, voordat ze zich gaan settelen, zich via het reizen een periode lang even helemaal vrij maken van alles. Het mooie daarvan is ook dat je leert om je identiteit niet te ontlenen aan de vormen en zekerheden om je heen, maar aan jezelf. Trekkend van het een naar het ander, thuisloos in de wereld, kom je thuis in jezelf, in je diepere zelf.

Faraq Soliman, een bedoeïnen stamhoofd in de Sinaï woestijn, die mijn contactpersoon was voor de woestijntocht waar ik in mijn vorige blog over schreef, staat nog heel dichtbij deze manier van leven. Zijn vader trok nog rond door de woestijn, met tenten, kamelen en geiten, van bron naar bron, van hoogland naar laagland. En als jongetje heeft hij zelf ook nog een tijdje zo geleefd. Nu spant hij zich in om het erfgoed van deze manier van leven te behouden en door te geven aan Westerse toeristen zoals ik. Hij is één van de initiatiefnemers van de nieuw uitgezette ‘Sinaï trail’, een viertiendaagse trektocht van de oost- naar de westkust, waarbij 8 stammen samenwerken om de trekkers te gidsen en te fourageren.

Faraq is een hele heldere, inspirerende man, met een boodschap die langzaam aan door de wereld wordt herkend, getuige ook het feit dat hij steeds vaker gevraagd wordt zijn visie te delen op allerlei bijeenkomsten en conferenties. Op een prachtige, poëtische manier vertelt hij mij: “Zoals ik het beleef is Allah overal, overal waar ik kijk, overal waar ik loop, overal waar ik kampement maak. Hij is in de wind die het zand doet verstuiven, in de zon die mijn huid verwarmt, in het oog van mijn kameel, in de stilte die mij omringt. In de verzengende hitte van de dag en in de verkoeling van de nacht. Hij is zelfs in de zandstorm die de woestijn geselt, en in de eenzaamheid van mijn hart, als ik mijn verwanten mis.” Zo mooi!

Als we het hebben over wat het met zijn stamgenoten gedaan heeft toen zij zich als moderne burgers gingen vestigen in hun huizen van grijs betonsteen, met koelkasten en televisies, voegde hij er nog aan toe: “Het heeft zeker veel goeds gebracht, maar ik ben er ook regelmatig somber over. Velen lijken hun richting kwijt te zijn, doen zielloos werk in de toeristenhotels of hebben helemaal geen werk. Ze zijn hun wortels kwijt, hun trots. Daarom is het ook zo belangrijk dat die Sinaï-trail er nu is, niet alleen om de inkomsten die het hen oplevert, maar ook doordat ze door de ogen van de toeristen heen hopelijk de bijzondere waarde van hun cultuur weer gaan zien”.

Weer thuis, tussen de vier muren van onze boerderij, met mijn zogenaamde zekerheden en de routines van het werk die mij weer langzaamaan beginnen op te slorpen, neem ik mij voor mij te blijven herinneren dat ik ook hier als een bedoeïne backpacker wens te leven. In overgave. In (sh) Allah.

 

 

 

(Als) een gekke hond in de woestijn

Drie maanden ben ik weg geweest, een maand in Rome, een maand in Israel en Egypte, een maand in Nepal. Drie maanden vrij van alles, zonder enige verplichtingen of vastomlijnde plannen. Dit vanuit de wens het leven weer eens een tijdje te mogen ervaren zoals het komt in het moment zelf, in plaats van zoals het via de agenda gepland is in het verleden. De wens om de leegte te ervaren en een ‘witje’ te laten vallen in mijn bestaan, of zoals de Tibettaans Boeddhisten zouden zeggen een kleine ‘bardo’ te maken, een tussenfase, waarin alles weer even open ligt, voordat er een volgende incarnatie plaats vindt.

Die wens werd eigenlijk pas echt werkelijkheid voor mij, in het begin van de tweede maand, toen ik met twee bedoeïnen door de woestijn van de Sinaï liep, op weg naar de berg van Mozes. Voor het eerst liep ik in de woestijn zonder een groep waar ik verantwoordelijkheid voor droeg. En dat was een aanzienlijk andere ervaring dan ik dacht. Nu was er werkelijk geen enkele reden om niet gewoon in het moment te zijn, in de leegte van de woestijn, in de leegte van het zijn. Met een groep erbij kon ik het voor mijzelf altijd nog rechtvaardigen dat ik nog met andere dingen bezig bleef dan die ene stap van het moment; ik had immers mijn taak om inspiratie aan te bieden en iedereen goed te volgen in hun proces!

Met al mijn ervaring in meditatie, retraites en intensives, met alles wat ik er over wist, waar ik zelfs anderen in onderwijs, ik werd die eerste dagen helemaal gek van mijzelf. Gek van de onrust in mijn hoofd, dat voortdurende getetter van al die gedachten die onophoudelijk in mij opkwamen. In het bijzonder viel het mij op hoezeer ik verslaafd was aan het plannen maken. Het ene na het andere geweldige idee over de toekomst, dichterbij of verder weg, persoonlijk dan wel werk gerelateerd. Het hield niet op. En ik nam ze zoveel serieuzer dan de herinneringen die omhoog kwamen of de zorgen die zo nu en dan ook de kop opstaken. Van dat vluchten de toekomst in ging voor mij zoveel aantrekkingskracht uit, dat ik het niet gestopt kreeg. En steeds sterker werd mijn verlangen dat eigenlijk ook weer een plan was om ze op enig moment in de toekomst wèl gestopt te krijgen en me alsnog over te kunnen geven. Gek werd ik er van! Uiteindelijk vooral gek van diegene die het vruchteloos probeerde te dwingen allemaal.

Intussen liep ik door een verbazingwekkend landschap van grote schoonheid. Ik zag het wel, maar beleefde er weinig van, zat meer in mijn hoofd dan in de woestijn. En ook dat zag ik wel van mijzelf, maar ook dat kreeg ik niet veranderd.

Toen kwamen we aan het einde van de dag ineens, heel verrassend, aan bij een klein hutje met een omheind stukje land, waar een moestuin gehouden werd. De broer van mijn gids woonde hier en leefde van wat de aarde daar met behulp van een kleine bron voort bracht. Hier zouden we de nacht doorbrengen.

Uitgeput, niet zozeer van het lopen, maar vooral van de innerlijke strijd die ik geleverd had, zette ik mij voor het hutje neer. In het midden stond een vruchtboom in volle bloesem, een adembenemend gezicht, zo in die totale droogte van het landschap er om heen. Ineens verscheen er een hond. Een armzalig beest waar duidelijk iets mee aan de hand was, zo schichtig en onrustig als hij was. Rusteloos draaide hij rondjes en probeerde zichzelf bij de staart te pakken. Sneller en sneller ging hij, maar wat hij ook deed, zijn staart kreeg hij niet te pakken. Een fascinerend schouwspel dat bruusk werd afgebroken toen een van de mannen hem weg jaagde van het terrein.

Met een grote glimlach op mijn gezicht en een intens gevoel van mededogen in mijn hart bleef ik achter. Ik besefte me dat ik net zo gek was als die hond! Ook mij zou het nooit lukken om mijzelf te pakken te krijgen en tot stilstand te brengen. Ik zou ‘ik’ nooit te pakken krijgen en zo tot rust kunnen brengen. Het diepe besef, dat overgave niet iets is wat ik kon doen. Dat ik het misschien kon uitnodigen, maar dat ik het nooit zou kunnen bewerkstelligen. Dat ik het alleen kon laten gebeuren, juist door het op geen enkele manier meer proberen te dwingen. “Uw wil, niet de mijne”. En met dit besef de herinnering aan dat pijnlijke moment in mijn jeugd dat ik zelf als zo’n hond weggejaagd werd toen mijn vriendjes op zeker moment zo genoeg hadden van mijn dominante plannetjes, dat ze mij in de vaart gooiden die voor ons huis lag.

Met dank aan die gekke hond, kon ik mijn vriendjes van destijds weer wat meer vergeven. En de volgende dag lukte het mij mijn plannen steeds meer te laten voor wat ze waren, ook het plan om die plannen nu eindelijk eens los te laten. De momenten dat ik kon genieten van wat er was werden intenser en langduriger. En de ontmoetingen, niet alleen met honden, maar ook met de scherpgetande bergjes, een eenzaam boompje hier, een kwetterende vogel daar, een kameel in de verte, de bleke sikkel van de maan aan de steeds blauwer wordende hemel, maar vooral met de leegte van de woestijn zelf, werden krachtiger en betekenisvoller. Langzaam aan werd alleen ‘een met het Al ’ en eenzaam ‘samen met het Een’. De plannen bleven komen, maar ik liet ze meer en meer net zo snel weer gaan. Eindelijk was mijn ‘sabbatical’ begonnen!

 

Nepal, land van mededogen

Onze laatste dagen van onze vrije periode van drie maanden verblijven Arianne en ik in Lumbini, de geboorteplaats van Boeddha in Nepal. Ik schrijf er aan het laatste hoofdstuk van ons O&A boek over de bronnen van groei en ontwikkeling in organisaties. Een hoofdstuk dat heel toepasselijk gaat over misschien wel de belangrijkste waarde waar de Boeddha in intermenselijke zin aan was toegewijd: de waarde van mededogen.

Als er iets is waar wij deze maand in de cultuur van Nepal van genoten hebben, dan is het wel om een tijd in een land te zijn waar Boeddha niet alleen geboren is, maar ook nu nog steeds zo levend aanwezig is. En dus in een cultuur te zijn waar mededogen als de hoogste deugd gezien wordt. Het is iets heel subtiels, maar hier in dit land, dat fysiek gezien in de steden vaak zo smerig en weinig ontwikkeld is, is het op dat andere, gevoelsmatige vlak zo veel fijner. Lijken wij in het westen voortdurend bezig te zijn met elkaar te meten en te beoordelen, hier lijkt dat in belangrijke mate te ontbreken en is het alsof je in een warm bad terecht komt. Zoals met een warm bad, zorgt het er voor dat je kunt ontspannen en ontwapenen.

Mededogen oordeelt niet, maar nog belangrijker is natuurlijk dat het maakt dat mensen in beweging komen voor elkaar, hulp doen zijn voor elkaar. De Bodhisatva die in Nepal na de Boeddha het meest wordt aanbeden is Avalokakiteshvara, de bodhisattva van mededogen. Avalokakiteshvara voelde zo veel mededogen met de mensheid dat hij zwoor om niet eerder te rusten dan dat de hele mensheid uit het lijden bevrijd zou zijn. Op het moment dat hij deze eed uitsprak kreeg hij 11 hoofden om alle leed van de wereld te zien en te kunnen horen, en 1000 armen zodat hij naar iedereen kon uitreiken.

Wij zijn hier de afgelopen maand vele mooie mensen tegengekomen die door Avalokiteshvara geïnspireerd zijn, Nepalese ondernemers, leraren, monniken en berggidsen, die zich dag en nacht inzetten voor hun landgenoten, die in armoede leven, nog steeds getroffen zijn door de aardbeving, geen ouders meer hebben of op een andere manier naast de boot gevallen zijn. Mensen die uit zichzelf, zonder dat iemand ze verplicht, het gat vullen wat bij ons is opgevuld door de staat. En daar overigens in hun eigen ervaring ook heel erg veel voor terug ontvangen aan waardering, zingeving en verbinding.

Voor Raju, onze jonge, blijmoedige, uiterst charmante trekking guide gaat het zelfs zover dat hij geen gezin wil stichten, zodat hij al zijn vrije tijd kan besteden aan de prachtige projecten die het trekking bureau waar hij aan verbonden is in gang heeft gezet. Deze, uit de opbrengsten van het trekking werk, gefinancierde projecten, variëren van de oprichting van talrijke schooltjes in de achtergebleven dorpjes hoog in de Himalaya, tot aan het ‘goat-project’ waarbij arme gezinnen een geit kunnen krijgen, die zij weer moeten doorgeven aan een ander gezin op het moment dat zij jongen gekregen heeft.

Het mededogen van Raju gaat verder dan zijn medemens, het strekt zich uit tot alle levend wezens. Een ontroerend mooi staaltje daarvan maakte wij mee op de ochtend nadat hij een nacht niet had kunnen slapen omdat een rups zich de vorige dag uit een boom in zijn kleren had laten vallen en hij onder de bulten was komen te zitten. Niet alleen was hij die dag even opgewekt als altijd, maar ook aarzelde hij geen moment toen wij een klein stroompje overstaken en hij een zelfde soort rups zag spartelen in het water. Hij redde hem van een gewisse dood!

Het is deze edelmoedige manier van kijken waardoor mijn collega Marcel Favier die als ontwikkelingswerker 6 jaar in Nepal doorgebracht heeft, zo geïnspireerd is geraakt om juist in onze Hollandse organisaties het mededogen te wekken wat de cultuur menselijker en waardiger kan maken. Na deze reis begrijp ik hem beter dan ooit en verheug ik me er op om straks als ik weer het werkende bestaan in ga daar ook mijn steentje aan bij te dragen.

 

We have a dream

Onlangs was ik op de nieuwe tentoonstelling in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, gewijd aan het leven van Mahatma Gandhi, Martin Luther King en Nelson Mandela, met de titel: “we have a dream”. Drie grote mannen die het gewaagd hebben hun leven ten dienste te stellen van een droom, een grote droom van hun volk, een droom die ging over de verwerkelijking van onze democratische idealen: vrijheid, gelijkheid, broederschap. De een in het door de Engelsen gekolonialiseerde India van de jaren ‘20, de ander in het door rassensegregatie gekenmerkte Amerika van de jaren ’50 en de laatste in het Zuid-Afrika van de Apartheid in de jaren ’70.

Een indrukwekkende tentoonstelling, met allerlei interessante details: de fiets van Gandhi, de aantekeningen die King maakte voor zijn beroemde speech, een uitgave van Shakespeares Hamlet met ontroerende kanttekeningen van Mandela. Maar ook beelden van de beroemde vredesmars die Gandhi maakte, dwars door India heen, waar zich meer dan 10.000 mensen bij aansloten. Beelden van Rosa Parks die dappere vrouw die op zeker moment bewust in het blanke deel van de bus is gaan zitten en weigert op te staan voor een blanke passagier, het kantelmoment waarop King zijn roeping ontving. En natuurlijk dat indrukwekkende beeld van Mandela die vrijgelaten wordt van Robbeneiland en op het vaste land zijn eerste legendarische eerste woorden spreekt tot  de weduwe van King: “free, at last!”.

Voor het eerst zag ik er de complete speech van King in Washington in de zomer van 1963, prachtig weergegeven, met de tekst groot geprojecteerd op de vloer van de kerk. Kippenvel, betovering, ontroering, wat een redenaar, wat een woordkracht en wat een werking, zelfs nu nog 54 jaar later, dat je in alles voelt hoe actueel zijn boodschap vandaag de dag nog steeds is.

IMG_0309

Maar wat mij persoonlijk het meest deed was het moment dat ik voor die enorme spiegel stond die in het centrum van de expositie geplaatst was, en mijzelf zag staan met één vraag boven mij: “wat is mijn droom?”. Van alles ging er door mij heen, van “wat was het ook al weer?”, tot “wie ben ik?”, tot “tut, tut, doe maar gewoon!”, totdat het stil viel in mijn hoofd, en ik mij langzaam de elementen van mijn droom herinnerde. En vervolgens plotseling overspoeld werd met een enorme dankbaarheid. Dankbaar dat ik mijn droom echt geleefd heb en nog steeds leef, de manier waarop ik woon en leef met Arianne, met Bas en Marthe, hoe wij onze gezinnen hebben opgevoed, maar vooral ook hoe ik samenwerk met mijn collega’s, zo open, zo nabij, zo natuurlijk, zo liefdevol, zo bezield. De droom waar ik ooit achteraan was gelopen toen ik me werkelijk durfde toe te staan hoe ongelukkig ik mij destijds voelde in mijn holle Leids-corporale studentenbestaan.

Een week later hadden wij een vergadering met ons team van Ontwikkeling en Advies. Voordat we de agenda in gingen besloot ik de speech van King te laten zien, en liet ik iedereen de ogen sluiten om zich te focussen op de droom van waaruit wij ons werk in organisaties doen. Heel erg inspirerend om van elkaar te horen, ieder met zijn eigen kleur, maar tegelijkertijd met zo’n gemeenschappelijke ondertoon. Het werd zo duidelijk dat wij een bedrijf runnen met elkaar, waarbij we brood op onze plank moeten zien te krijgen en wij ons allemaal willen manifesteren als mensen die er toe doen, maar dat het allerbelangrijkste wat ons verbindt een droom is, een droom over hoe organisaties plekken zouden kunnen zijn van bezieling, creativiteit, plezier en broeder- cq zusterschap. Plekken ook waar …….. gedroomd wordt!

Meer lezen over wat ieder van ons geantwoord heeft: We have a dream def

In de kookpot

Vorige week hadden wij met O&A weer onze teamdagen, waarmee wij ons nieuwe werkjaar met elkaar opstarten. We zijn daar ooit mee begonnen omdat we zagen dat ons team dat echt nodig had, een vast punt in het jaar, waarop al die autonome individuen de volle tijd en de rust nemen om elkaar in de ogen te kijken en de gemeenschappelijke bezieling te voelen en te voeden. Precies datgene doen wat wij onze klanten ook altijd zo aanraden: ook als er niets aan de hand is en je team ogenschijnlijk goed functioneert, maak toch tijd vrij voor bezinning en verdieping. Laat dat niet enkel aan het individu over (ieder van ons zorgt daar zelf wel voor, volgt opleiding, gaat op retraite), maar zoek het ook op met elkaar. Zo hou je de samenwerking fris en vrij en voorkom je de problematiek waar wij zo vaak in organisaties mee te maken krijgen, van uit de hand gelopen conflicten tot aan mensen die elkaar eigenlijk hebben opgegeven.

Het zijn altijd leuke, verbindende dagen, ook omdat we in de loop van de jaren steeds meer aandacht zijn gaan besteden aan het eten met elkaar. Lieten we de eerste keren nog een cateraar aanrukken, zodat wij zelf zo lang mogelijk ‘nuttig’ bezig konden zijn, de laatste jaren zijn we er voor gaan kiezen om zelf te koken. Dat begon met iets eenvoudigs, maar begint nu ieder jaar van een steeds hoger gastronomisch nivo te worden, met bijzondere recepturen en exotische ingrediënten. We beginnen te beseffen hoe nuttig juist dit ogenschijnlijk nutteloze is van samen groentes snijden, samen in pannen roeren en samen genieten van wat we met elkaar gefabriceerd hebben. Tussen het koken door wordt er ook aan onze innerlijke alchemie gewerkt en is het alsof wij zelf ook in de kookpot gaan en zo met elkaar tot een smaakvollere en rijkere harmonie komen.

greens-266560_960_720

De kookpot van ons samenzijn wint ook steeds meer aan diepte en kracht. Lag het accent in het begin nog vooral op het met elkaar ontwikkelen van ons aanbod en het expliciteren van onze visie en werkwijze, nu gaat het vooral over onszelf, waar wij in onszelf en in onze collega’s tegen aanlopen en wat onze persoonlijke opgave is in het werk wat wij doen. Het wordt niet alleen steeds persoonlijker en preciezer, maar het leiderschap wat nodig is om zulke dagen goed te laten verlopen, komt ook steeds meer uit ons allemaal, uit ons gemeenschappelijke midden, in plaats van uit onze formele of informele hiërarchie. Dat is verheugend, omdat wij daarmee aan den lijve ervaren waar wij zo in geloven: hoe meer ieder zijn eigen persoonlijke leiderschap kan inzetten hoe krachtiger, veelzijdiger en intelligenter een team wordt.

Vorige week ging het over het voor ons zo belangrijke thema van waarachtigheid. Hoe waarachtig ben je? Welke angsten en beelden neig jij tussen jou en de ander te plaatsen? Wat gebeurd er dan? Hoe speelt dat in je werk buiten, hoe speelt dat hier in het samenzijn met elkaar? Voor mensen zoals wij, die dit soort vragen voortdurend stellen aan anderen, zou je zeggen dat zo’n exercitie met elkaar een ‘kat in het bakkie’ zou zijn. Niets was minder waar! Wat luisterde het nauw, niet alleen om elkaar feedback te geven, maar net zozeer om het van elkaar te ontvangen. Hoe naakt en kwetsbaar voelt dat toch! Het blijft, ook na jaren van oefening, nog steeds even spannend!

Het is natuurlijk ook zo dat wij als begeleiders op dit vlak hoge eisen stellen aan onszelf en dat automatisch dan ook doen aan elkaar. Kan me voorstellen dat collega fysiotherapeuten, verloskundigen of chirurgen dat ook hebben met elkaar. Dat extra kritische oog op het vakmanschap en de professionaliteit van de ander. We beseften daarbij opnieuw dat de houding en de intentie van waaruit gesproken gaat zo veel belangrijker is dan de techniek die gehanteerd wordt, de techniek van de ‘ik-boodschappen’, ‘geweldloosheid’ of wat dan ook. Dat het zo gaat over de wens elkaar echt te ontmoeten, werkelijk open en transparant te zijn naar elkaar. Waarachtig dus niet alleen in de zin van echt zeggen wat je te zeggen hebt, maar ook in de zin van ongemaskerd zijn, van durven te laten zien wat er werkelijk in je leeft en is. Om als ‘professionele feedbackgever’ dus ook aan elkaar te durven laten zien dat je het zelf ook nog steeds doodeng vind om zo in het licht gezet te worden!

Zo sloten we onze dagen af met de constatering hoeveel respect we hebben voor onze opdrachtgevers. En zo zien wij meer dan ooit uit naar een nieuw werkjaar, waarin wij teams mogen bij staan in hun zoektocht naar waarachtigheid.